De rechter in ondernemingszaken


Deeltaken van de rechter

De rechter in ondernemingszaken kan verschillende taken toegewezen krijgen. De belangrijkste zijn:

  • Zetelen in een pleitkamer. De kamer is samengesteld uit een beroepsrechter en twee rechters in ondernemingszaken;
  • Rechter-commissaris in faillissementen. Hij oefent toezicht uit op de curator, die instaat voor de afhandeling van het faillissement, verleent machtigingen, controleert de rekeningen en brengt daarover verslag uit;
  • Rechter-verslaggever in de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden. Hij roept de ondernemer in moeilijkheden op om de situatie te bespreken en bijvoorbeeld tot een herstelplan of gerechtelijke organisatie te komen ;
  • Gedelegeerd rechter bij een gerechtelijke reorganisatie. (vroeger: wet op de continuïteit van de ondernemingen) Hij brengt verslag uit over de procedure en houdt toezicht.

Deze deeltaken worden op deze site verder toegelicht. Kies uit het menu een deeltaak om meer te weten te komen.  

Achtergrond

De rechter in ondernemingszaken is een "lekenrechter", die uit de bedrijfswereld komt. Hij wordt benoemd door de Koning voor een periode van 5 jaar, op gezamenlijke voordracht van de ministers van Justitie, Economische Zaken en Middenstand. Zijn benoeming kan na iedere periode voor 5 jaar vernieuwd worden.

De rechters in ondernemingszaken kiezen in hun midden en per arrondissement een voorzitter die de voorzitter van de rechtbank bij de leiding van de rechtbank bijstaat.

Algemeen wordt erkend dat de inzet van de rechters in ondernemingszaken in de werking van de ondernemingsrechtbanken een duidelijke meerwaarde oplevert en, binnen de bestaande wetgeving, onmisbaar is. Deze categorie van rechters brengt heel wat praktische bedrijfservaring en kennis omtrent de regels in het economisch veld binnen en zorgt voor een belangrijke verlichting van de werklast in de rechtbank.

Historisch werd het bestaansrecht van afzonderlijke ondernemingsrechtbanken (voorheen: rechtbanken van koophandel - zoals achtereenvolgens vastgelegd in wetboek van koophandel van 1807, Grondwet en wet van 4 augustus 1832) afgeleid uit de basisgedachte dat handelaars en nijveraars elkaar dienden te beoordelen. De rechters werden verkozen door hun gelijken en uit een lijst van plaatselijke handelaars, bankiers, industriëlen, enz.